Besturen is niet hetzelfde als beslissen

Zeggenschap, goedkeuringsrechten en aansprakelijkheid na een investering — en waarom de meeste conflicten niet ontstaan door de deal, maar door wat er niet is vastgelegd.
Bij closing wordt gevierd dat de handtekeningen staan. Wat op dat moment zelden scherp is: vanaf de volgende ochtend wordt de onderneming aangestuurd volgens een andere logica dan daarvoor.
De ondernemer die jarenlang eigenaar én bestuurder was, is nu minderheidsaandeelhouder én statutair bestuurder. Twee rollen met deels tegengestelde belangen. De investeerder wil sturing zonder bestuurder te worden. En een nieuwe raad van commissarissen of raad van advies moet toezicht houden op mensen die gewend zijn zelf te beslissen.
Voor ondernemers en investeerders is dit het meest onderschatte risicogebied van een transactie. Niet de waardering en niet de garanties, maar de vraag wie na closing waarover beslist, binnen welke kaders, en wie verantwoordelijk blijft voor het geheel.
Want dat zijn verschillende vragen. Het bestuur is belast met het besturen van de vennootschap (art. 2:239 lid 1 BW): strategie en beleid, dagelijkse leiding, risicobeheersing, verslaggeving en vertegenwoordiging. Besluitvorming is daarvan één onderdeel. Een goedkeuringsgrens van vijf ton verplaatst dus geen bestuurstaak — het legt één type besluit ergens anders neer, terwijl de verantwoordelijkheid voor het geheel blijft waar die was.

Drie documenten, drie waarheden
Na een transactie wordt een onderneming feitelijk aangestuurd door drie sets afspraken die zelden volledig op elkaar aansluiten.
De statuten bepalen de vennootschapsrechtelijke werkelijkheid. Behoudens statutaire beperkingen is het bestuur belast met het besturen van de vennootschap. Alleen bij of krachtens de statuten kunnen bestuursbesluiten worden onderworpen aan de goedkeuring van een ander orgaan (art. 2:239 lid 3 BW).
De aandeelhoudersovereenkomst bepaalt de contractuele werkelijkheid: reserved matters, informatierechten, benoemingsrechten, leaver- en exitbepalingen. Die afspraken binden de partijen die ze zijn aangegaan, maar hebben geen vennootschapsrechtelijke werking zolang ze niet ook statutair zijn verankerd.
Het directiereglement en de autorisatiematrix bepalen de dagelijkse werkelijkheid: wie tekent waarvoor, welk bedrag vraagt welke goedkeuring, hoe verloopt escalatie. Dit is een interne werkverdeling. Zij begrenst de bestuursbevoegdheid niet en werkt niet tegenover derden.
Het probleem ontstaat wanneer deze drie uiteenlopen. Een investeerder die meent een veto te hebben, terwijl dat alleen in de aandeelhoudersovereenkomst staat. Een directie die formeel bevoegd is voor besluiten waarvoor zij zich feitelijk niet verantwoordelijk voelt. In de praktijk ontdekken partijen pas wat zij écht kunnen afdwingen op het moment dat het misgaat.
Let daarbij op één punt dat vaak wordt aangenomen maar niet klopt: bij de besloten vennootschap bestaat geen wettelijke bepaling die besluiten met een grote impact automatisch aan de algemene vergadering voorbehoudt. Art. 2:107a BW, dat goedkeuring eist bij een belangrijke verandering van identiteit of karakter, geldt alleen voor de NV. Bij een BV moet je dat zelf regelen — of het is niet geregeld.
Een vetorecht is geen bestuursbevoegdheid
Reserved matters worden vaak ontworpen alsof ze de investeerder controle geven. Ze geven iets anders: de bevoegdheid om iets tegen te houden. Dat verschil heeft consequenties.
Een veto voorkomt namelijk niet dat de onderneming gebonden raakt. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur is onbeperkt en onvoorwaardelijk, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit (art. 2:240 lid 3 BW). Sluit een bestuurder in strijd met een goedkeuringsvereiste tóch een overeenkomst, dan is de wederpartij in beginsel beschermd. Wat overblijft is een intern verwijt en mogelijke aansprakelijkheid, nadat de schade al is ontstaan.
Daar komt bij dat een uitsluitend contractueel veto zwakker is dan een statutair goedkeuringsrecht. In het eerste geval blijft het besluit geldig en ontstaat er een tekortkoming in de nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst. Is het vereiste wél statutair verankerd, dan raakt het de totstandkoming van het besluit zelf en komt vernietiging in beeld (art. 2:15 BW).
En dan is er nog een praktisch punt. Bij buy-and-buildtrajecten zien we lijsten met tientallen goedkeuringsvereisten. Het resultaat is meestal niet meer grip, maar een directie die voor elke stap terugvalt op de investeerder. Precies het gedrag dat de investeringsthese ondermijnt.
Hoe ver reikt de invloed van de investeerder?
Een investeerder die richting wil geven, kan dat vennootschapsrechtelijk regelen. De statuten kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan (art. 2:239 lid 4 BW). Bij de BV mogen dat sinds de Flex-BV ook concrete aanwijzingen zijn; bij de NV is het beperkt tot de algemene lijnen van het beleid.
Maar dat instructierecht kent een harde grens: het bestuur volgt aanwijzingen op tenzij die in strijd zijn met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Bestuurders richten zich naar dat vennootschapsbelang (art. 2:239 lid 5 BW), en dat is niet hetzelfde als het belang van de grootste aandeelhouder.
Voor investeerders is er nog een tweede grens, die minder zichtbaar is. Voor aansprakelijkheid bij faillissement wordt met een bestuurder gelijkgesteld degene die het beleid mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder (art. 2:248 lid 7 BW). De scheidslijn tussen actief aandeelhouderschap en feitelijk besturen is geen formele, maar een feitelijke. Juist in stresssituaties, waarin de betrokkenheid vanzelf toeneemt en de dossiervorming vanzelf afneemt, kan die grens ongemerkt worden gepasseerd.
Twee petten, één stoel
De ondernemer die aanblijft als bestuurder én aandeelhouder blijft, verkeert structureel in een positie met mogelijk tegenstrijdige belangen. Denk aan een earn-out, een vervolgacquisitie die de eigen participatie verwatert, een herfinanciering of een transactie met een gelieerde partij.
De wet is daarover duidelijk: een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming wanneer hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het vennootschapsbelang (art. 2:239 lid 6 BW). In de praktijk wordt dat voorschrift vaak genegeerd, tot het moment waarop een conflict ontstaat en de besluitvorming achteraf wordt getoetst. Interne aansprakelijkheid vraagt weliswaar een ernstig verwijt (art. 2:9 BW), maar de positie van een bestuurder hangt sterk af van de vraag of zichtbaar zorgvuldig is gehandeld: is het belang gemeld, is de bestuurder teruggetreden, is het vastgelegd?
Structuur regelt bevoegdheid, geen eigenaarschap
Deze punten zijn te regelen: consistentie tussen statuten en aandeelhoudersovereenkomst, een besluitmatrix die vóór closing vaststaat, een protocol voor tegenstrijdig belang, heldere afspraken over escalatie en deadlock, en een bewuste keuze tussen toezicht en advies.
Wat zich niet in documenten laat vangen, is het gedrag eromheen. De ondernemer die formeel geen meerderheid meer heeft maar zich nog steeds gedraagt als enig eigenaar. Het managementteam dat na de deal wacht op signalen uit het investeringscomité in plaats van te beslissen. De investeerder die zegt op afstand te sturen en tegelijk elke week belt.
In vrijwel elk traject dat na een transactie vastloopt, is de juridische structuur niet het enige probleem. Het probleem is dat structuur, leiderschap en gedrag niet op elkaar aansluiten.
HUMA Advisory werkt met founders, DGA's, directies en investeerders in groei-, transitie- en M&A-trajecten. Wij combineren juridische en governance-expertise met inzicht in leiderschap, gedrag en groepsdynamiek. Daardoor kijken we niet alleen naar wat er in de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst staat, maar ook naar wat er in de bestuurskamer daadwerkelijk gebeurt.
Staat jouw organisatie voor een investering, een overname of een volgende groeifase? Plan een kennismaking en ontdek wat er nodig is om na closing snel en effectief te blijven besluiten.
Dit artikel is algemeen van aard en niet bedoeld als juridisch advies in een concreet geval.




Opmerkingen